Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MENGELPOËZYE. 30$

Thans juicht de gantfche burgerfchaar; De vrienden-rei, die, in 't gevaar,

Met mij de dood trotfeerden; En 't zwaard van valfche majelteit, Blijft aan der muitren hand ontzeid, Daar Neêrlands beulen-wraak in Wroegend leed verkeerden.

Qeduchte God! wie kend uw kracht ? Wie kend de werking van uw macht, —

En milde gunstbewijzen? Gij deed, ö redder van 't heelal ! Op 't biddend ach van 't duizend tal, Het morgen-licht van vreugd uit d'onhgils nacht verrijzen.

V 5 Een

Sluiten