Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

* HUGO de GROOT.

Hij wacht, vol ongeduld, den gouden zomermorgen,

Die 't vluchtig fluimrcnd oog der fchepping ras verblijd, 't Gezantfchap is gereed: en, ecr de zon de droppen

tot paarlen gloor geftolt, van 't Haagfche lommer kuscht, Vcrfchuilt zig 't Hofgebouw reeds achter lindentoppeu, * Terwijl zig 't weidend oog in Holiands fchóori verlust. Haast mag de Bisfchopsftad hén in haar vest ontfangen,

'k Hoor hoe elke edle ziel hen juichend: welkoom ! groet, De brave Ledenberg, verknocht aan 's Lands belangen, Zorgt dat de Groot, eerlang zyn hoogen tast voldoet. Straks doet wehprekenheid den héilgen boezem gloeien, Van 't nimmer kreukend recht. De fluimerende vlijt Ontwaakt, verbonden trouw voelt haar bedekte boeien,

En zweert der Vrijheid hulde, al 't fnood gebroed ten fpijt. Dan, ach ! de tweedragt blijft de band der pijlen knaagen ,

Alom hadt haar vergif 'r gevoelloos hart verpest; List doet het Vaderland van nieuwen ramp gewaagen,

En wekt een helsch verraad, in 't vrij Gemeencbest. ~\ Zit de afgevaardigden der zeven bondgenooten, Door 't roemrijk Opperhoofd der legermacht verzclt;

Beef,

Sluiten