Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TWEEDE ZANG. gDe Franfche Staatsman zag de glans der wetenfchappen,

Op 't heerlijkst fchitteren, in Hugo's Staatsbeleid; '£ Zij hij ter raadzaal moest bij 't Oorlogs dondren flappen ,

't Zij hij voor 't waar belang der zaalge vrede pleit. Men melt den Staat't verzoek van Vrankrijks jongen Koning, Om Neêrlands glorie, thans gekerkerd , rasch te ontflaan, Men pleit op de eer, de deugd en edle trouw betooning

Des braven, lang ten doel aan vaale nijd geftaan Vergeefsch; de dwinglandy moet haaren zetel vesten.

Op 't Graf der vrijheid ;'k zie hoe trotschheidfchamperfpot, 't Bloed fpat in 't aangezigt der knielende geweiten,

De ontwrongen vrijheids fpeer fchraagt zelf het moordfchavot. De Groot, onkundig van der Staaten handelingen,

Wacht, ongeduldig, naar beflisfing van zijn recht, Hij doet, door Nijthof, (leeds op zijn verhooring dringen ,

Maar ziet zig telkens ook dit heus verzoek ontzegt. Geen engen kerker kon zijn' vrijen geest ooit boeien;

Geleerdheid (trooide ook hier haar frisfche lauerblaên! 6 Zaalge Dichtkunst! gij — gij deedt zijn boezem gloeien» Gij deedt z-iju fiere hand, verrukt aan 't fpeeltuig flaan,

Gij

Sluiten