Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DERDE ZANG. p,

Meszias, eeuwig door de Seraphs aangebeden ; (<*)

Vlecht grootfchc nedrigheid een bloeiende eerekrans. Der Christen Godsdienst, zóó beminlijk zóó verheeven,

Zóó troostrijk ziet haar throon, door mijn de Groot gcfchraagt, De blanke waarheid doet verblinde dwaaling' beeven,

't Afzwervend bijgeloof eert zelf die hemelmaagd.

Dan eens , zweeft 't heilig recht, met onbewolkte glorie,

Op de altijd vlugge fchagt van moedige de Groot; Dan praalt de roem der deugd uit Thebens volkshiftorie,

't Romeinfche dichtkoor noemt mijn Held , zijn zang-genoot.— Godvruchte Vosflus betreurt 's mans hcmelgaaven,

Zoo jammerlijk bewolkt, door donkrc tegenfpoed: Terwijl die morgenfter, in 't zwartst des nachts begraaven ,

Zich achter 't aklig floers met wijsheids luister voedt. Erpenius, gewoon aan 't fchoon der voorige eeuwen,

Vol vuur door hem geleerd, in Lcidens achtbaar koor; Vondt in mijn Hugo's ziel de heilgeest der Hebreeuwen, Daar hij het floers ontrukte aan 't ftcile fchaduwfpoor.

Die

Ca) Nüamender werken, door de groot gefchreeven.'

Sluiten