Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ioo H 0 G O de GROOT.

„ Wie (zucht hij) zal op aard mijn rampfpoed meer verzachten?

„ Mijn gae! ge ontwijkt mijn lot thans in 'tonfterflijk rijk! „ d Lievling mijner jeugd, gij hebt genoeg geleden;

„ Vaak heeft uw ftil verdriet mijn bevend hart verfcheurt, „Deeskerker zag, zints lang, de reinfte tederheden, „ Nu tuigt hij hoe uw gae zijn lierfuur tegentreurt ! Uw heillot kan mijn ziel, met fombren wellust, ftreelen; „ Maar 'k mis uw liefde uw troost: nooit zal die blijde deugd, „ Die lieve minzaamheid , in 't vleiend oog meer fpeelen, „ Mijn Hildegonde! 'kmis met u mijn lust en vreugd! Nooit zal uw koude borst meer tedre zuchten loozen, ,, Ik kus uw kille hand die nooit meer vleiend ftrcelt, „ Nooit zal op 't bleek gelaat meer 'tgul genoegen bloozen;

„ Elk doodlijk trekjen fchetst mijn lieflings fchaduwbeeld! „ Een vreedzaam lachjen zweefde op haar verflijfde lippen,

Geen wroegende angst des doods heeft 't lief gelaat ontliert, f» HooP» liefde en ftüle vreugd hadt in haar jongde flippen ,

Op 't laatfte worstlen der natuur gezegeviert f... „ 'kVolg u, mijn zielvriendin! verhoor me, ó God der liefde! „ Veréén haast onze ziel, voor 'tgouden zoenaltaar."

Ja,

Sluiten