Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DERDE ZANG. ïojj s, Dat fnood bedagte list, mijn' eernaam kan verduistren ,

„ Daar zelf't misleide hart des trouwden vriends mij doemt; „ Dit denkbeeld is te derk! 'kkan 't grievendstleed vcrduuren ,

,, Maar voor verachting, is geen grootfche ziel bedand, „ ó Vrijheid ! vaak betreurt in eenzaam kwijnende uuren ,

,, Gij ziet mij wreed gehoond! Rampzalig Vaderland ! . . .

Nog klopt dit hart voor u, nog hijgt mijn tedre boezem ,

5, Naar mijn geboortelucht, 6 rijk begraasden grond! ,, Gij zaagt de ontwikling van mijn jongen levens bloezem. ——

,, Beminlijk Delft! daar eens mijn wieg zoo veilig dondt, ,, Toen, in uw ouden vest, dit hart het eerstmaal tikte ,

„Toen drooide uw burgerij mijn wieg met lentebMn , ,, Toen de eerde boezemmelk mijn tedre jeugd verkwikte ,

,, Hieft gij uw danktoon, om mijn 's vaders blijdfehap , aan , „ 't Was mijn aloud gedacht, dat in uw liefde deelde ,

„ Daar 't zig aan uw belang gulhartig hadt gewijd,

Mijn kindsheid, die zoo vrij in uwe beemden fpeelde,

„ Werdt,door uw trouwe zorg, voor dreigende angst bevrijd.,, 'k Hadt nauwlijks kennis van den band der maatfehappijen , Of'k gloeide reeds door min voor 't dia-baar Vaderland,

„ Gij

Sluiten