Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

h4 HUGO de GROOT.

Dan , 't vast vertrouwen op een liefdrijk Alvermoogen, .Voert hun grootmoedig hart voorbij die moeilijkheê n. De wintervluchtte reeds, voor zoele lenteluchten ,

Dc jeugd der aarde keerde op manche koeltjens weêr, Natuur ontwaakte zacht, de lluimeringen vluchten,

En leven-liefde en vreê (treek op de velden neêr; Nu fcheen dc zaalge tijd tot 't grootsch befluit gebooren Deweêrhelft van de Groot, wier edle fchranderheid Door de eeuwen fchittert, hadt in 't eind een dag gekooren,

Zo fchoon , zojuist gefchikt tot 't heerelijk beleid; Zij laat het koffer in de kleene fchrijfcel brengen ,

Nu eenzaam , zet zij zig bij haaren Echtvriend neêr, 'k Zie haar bevallig oog een teder traantjen plengen;

De Groot drukt haar de hand; hun dille vreugd keert weêr. Hun tedre boezem gloeit, door fchuldeloos genoegen, De Groot beproeft hoe lang bij, zonder ruime lucht, Kan fchuilen in de kist: vrees doet het hart wel zwoegen ,

Dan , 't voelt zig opgebeurt door 't denken aan zijn vlucht. — Twee moeilijke uuren blijft het koffer dicht geflooten, Hij ademt wel beklemt, maar voelt zijn ziel gcltreelt,

(Zoo

Sluiten