Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIERDE ZANG. ijj

't Weerbarftig ongeloof voor 't zoenaltaar doed knielen,

Die roem der Englen zoo getrouw aan eer en plicht, Zo blaaken om Gods naam al juichend uittebrclden ,

En moedig vrolijk, door de fpeelendc natuur, De Christen Godsdienst in haar vollen glans te fpreiden ,

Geen Seraph ! Jefus zelf deed 't eeuwig liefdevuur, Van 't gouden Autaarop zijn vrije lippen gloeien;

Die Godsvriend legt, befcbauwt door de Almacht thans gerust, Ilij hoort het ftroomgeraas , hij hoort de winden loeien ,

Maar fteunt op 't heilrijk woord, van 's hemels zorg bewust. Bloos, haatlijkLoeveftein! hoe zal uw trotsheid zinken !

Ge omwolkt de glorie van mijn Vaderland niet meer , Gij kunt haar fcheemring gints op 't witte zeil zien blinken ,

Zij rijst en daalt nooit in uw avond kimmen weêr! Maria had vol angst het Koffer heên zien dragen,

Hoe zweeft haar zwoegend hart de lust haar 's levens na 1 Geen traan ontvlucht haar oog, neen 't blijft angstvallig vragen,

„ ó Hemel! wat is 't lot van mijn geliefde gaê ? (Zij voelt een koude fchrik haar door den boezem rillen)

Bij elke deur die log al krakend opengaat,

I 4 Zou

Sluiten