Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

168 HUGO de GROOT.

Ja, rcinen wellust zweeft op minzaame Englenfchachten,

Langs 't dof gewelfzel, zelf daar Hoogcrbeets ontroerd, Bekoorlijk word gewekt, uit kwijnende gedachten ,

„ ó Hemel! roept hij, is mijn vriend , dit graf ontvoerd ? „ Mijn Hugo ! in de kracht van 't onwaardeerbaarst leeven , „ Een leeven , dat tot eer en nut van 't menschdom bloeit, „ Schoon ik in flaaffchen dwang, den jongften fuik moet geven „ Denk , dat mijn vrije ziel, door zachte vriendfchap gloeit , „Welk denkbeeld! zou een vonk van hoop mijn boezem hielen?

„ Mijn Grootius, omhelst u ooit wêer 't lief geluk, „ Zou dan uw grijzen vriend, niet in uw voorfpoed deelen „ ,, Was ik geen deelgenoot van al uw leed en druk ? Ja,'k ken uw edle ziel! kund gij mijn heil bewerken , „ Bied ooit het Vaderland , aan u zijn vrijen fchoot, ?, Dan denkt ge aan Hoogcrbeets, God zal mijn moed verfterken;

„ Ach , was ik eenmaal vrij, voor 't nadren van mijn dood .'" Zijn geest zints lang gedrukt, door fmart—r verdriet en kommer,

Vermaakt zich voor een poos , de lasterzucht yerfmoort, Verbeelding leid hem zacht, door vrijheid's ruisfehend lommer, Aan onfchuld's blanke hand, naar 't vreedzaam lïerfbed yoort.

Je.-

Sluiten