Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIJFDE ZANG. iSr

Weergalmen thans den lof der fchranderfte geleerdheid ,

De tolk van 't heilig recht gloort in der Gallen ftaat, Het bijgeloof door hem verlicht, ziet zijn verkeerdheid,

Mijn Hugo is de vreugd van Koning - Volk en Raad. Wanneer de zomerzon , de middagboog doet gloeien,

Dan zwoegt de fpiijtende aard'; maar, word het vuur gefluit, In wolken, die verdund het groeiendrijk befproeien ,

Dan kwijnt weer 't leven , in een lagchje , op 't hijgend kruid ; Niet anders troost zyn komst, zijn dierbre landgenooten,

Nooit door een enkle vonk van flille hoop geflreeld, Door heerschzucht en geweld van have en erf verftooten j

Ik zie hoe thans hun ziel in zachten wellust deeld. De Groot, reeds van zijn jeugd, de toevlucht der verdrukten ,

De vriend, de voorfpraak van verachte onnozelheid, Wiens fchranderhöen zoo vaak tot heil der deugd gelukten ,

Dan, ach ! thans is hem zelf recht — hulp en troost ontzeid. Hij ziet der woede ontgaan , de zomerdagen rollen ,

De fchikking van zijn lot, vertrouwd hij aan die hand, Wiens almacht met één wenk miljoenen waereldbollen Doet wentlen, en 't heelal houd in onwrikbren ftand,

M 3 ó Frank-

Sluiten