Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

igG HUGO de GROOT,

De herfst verdreef de jeugd, uit Frankrijk's ruime bosfchen;

Terwijl de toon der vreugd langs wijngaards heuvlen klonk , Daar poëzie voorfpoed blij, defijpelende trosfchen

Afplukte, en 't wrang verdriet in zoeten most verdronk , Toen fchoone Reigersberg, in 't vrolijk oord mogt landen ,

Verrukking - liefde en vreugd vliegt de edle te gemoet, Hoe voelt zij 't vrije hart door 't heiligst vuur ontbranden ,

Daar Hugo fpraakloos haar in bevende armen groet! Hoe vrij klopt nu haar hart, 't voelt niets dan hemel weelde,

Al wat hun meer omringt, kwijnd weg; hun ziel geniet Een wellust, die zoo fchaars een fterflijk aardling ftreelde ,

Een wellust, Hechts gefchikt voor 't vrije Godsgebied , De Algoedheid ziet het heil dier tedre lievelingen,

Op 't wentlend rond nog met dien Goddelijken lust, Als toen om 's levensboom de Mirthen kransjes hingen,

En maagdlijke onfchuld werd door zaalge min gekuscht. De Groot, door vreugd verrukt, vergeet nu aan haar boezem ,

ft Ondankbaar Vaderland, zijn hechtenis, fmaad en hoon , Een zacht genoegen fpreid 't aanminnig lentebloezem,

Van koHvmerloQze rust op 's levenspaan ten toon ,

Ma-

Sluiten