Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIJFDE ZANG. su

Het lief genoegen ftrooit nog blij zijn levenspaaden;

Daar zie ik Daatzelaar en jeugdige Maurier, Met jonge Reigersberg, 't verlangend hart verzaaden ,

De zachte vriendfchap fchenkt zijn dagen jeugd en zwier. Ik zie zijn tedre drift in duizend vraagen leeven ,

Die drift die elk op 't nauwst verbonden hout aan 't oord, Daar 't hart, den eerften flag ontwiklend heeft gegeeven,

Daar de eerfte lichtftraal heeft in 't fluimrig oog gegloord. Mijn Daatzelaar, gewoon aan Hollandsch fmaak en zeeden ,

Vind bij zijn ouden vriend op 't land zig zeiven weêr ; Hij meld hoe Holland thans zelfs zijn beroemdfte fteeden,

Ziet vliegen op den wenk van Nasfauw's trotfehen heer , Hoe 't land , vermoeit door tijd en geld en volk te fpillen ,

Naar vrede hijgt, ondanks Prins Mauritz heldenmoed, Doch hoe de woeste orkaan van wreede Kerkgefehillen ,

Nu 't oogmerk is bereikt, zoo 't fchijnt heeft uitgewoed^ De zoon van Reigersberg, brengt tedre liefdegroeten ,

Van ouders , maagen en een dierbre vriendendrom , Elk wenscht mijn Hugo weêr in 't Vaderland te ontmoeten „

Hoe lang (vraagt elk) zwerft nog de deugd als balling om ?

O 2 ' *t Be-

Sluiten