Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZESDE ZANG.

n

JL#e hoogde Ceder, die zijn wolkenfteigrend lommer ,

Al fehomlend uitbreid , op den grootfchen Libanon , Terwijl zijn donkre fchauw zorg, angst, verdriet en kommer ,

Verbergt voor 't vrolijk licht der heldre middagzon , Blijft in den grond waar eerst zijn teder fcheutje groeide,

Stout de eeuwen tarten, dan verplaatst hem's flerflings hand Door werktuigkunde en kracht, terwijl hij groenend bloeide,

In andre luchtftreek, ver van 't eigen Vaderland, Zoo kwijud de frisfche jeugd, die op zijn bladen lagchte ,

Ja, fchoon een vetten grond hem gul zijn voedzel bied, Schoon telkens de avonddauw den gloed des daags verzachte ,

Zijn fiere kruin pronkt met die grootfche fchoonheid niet; Zoo blijft ook mijn de Groot in Frankrijk's vruchtbre (treken,

Schoon gulle vrolijkheid al dartiend hem omringt, Berooft van waare vreugd, niets kan dien gloed ontlteken,

Die elk gevoelig hart tot zuivren wellust dwingt.

O 3 Nog

Sluiten