Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZESDE ZANG. =35 Niet anders kwijnd de vreugd, die 't minnend hart reeds ftreelde,

Elk had zig met de gunst van Frederik gevleid, Daar zig de Groot al 't zoet der vrijheid reeds verbeelde,

Hij kende 's Priiifen aart en zucht tot minzaamheid ; Dan 't-ïs vergeefsch gewacht, 'k zie al den troost ontvluchten ,

De troscheid duit niet dat men 't wetloos vonnis breekt, 't Befluit is, dat de Groot geen weigring heeft te duchten ,

Wanneer hij fchuld belijd, en om vergifnis fmeekt; Dan , zou een edle ziel zig zelf dus ooit ontluistren ?

ö Heerschzucht! zou de Groot, die voor uw ketens gruwt, . Zig aan uw zeegekar met eigen handen kluistren ?

Neen! eer aan'swaereldspool zijn Vaderland gefchuwtl

Een Vaderland dat aan geen telgen recht wil fchenken !

Tuig, fiere zielvriendin van mijn de Groot! gij zaagt, Toen ge u naar Rottes vest, door huisbelang, zaagt wenken ,

't Stads heilig zegel, door de fchraapzucht weggeknaagd; Vergeefsch pleit ge op de trouw van uwen zielsbeminden ,

Men kende al 't nut, men ünaakte al 't heil van zijn beleid , Maar , edele fchoone ! zoüdt ge ooit recht, ooit bijftand vinden,

Bij 't Bazeliskus hart, der helfche ondankbaarheid ?

Zij

Sluiten