Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

AAN JOOST VAN LEDENBERG. 31

Hy zocht veeleer zyn lot met lydfaamheid te dragen ;

Maar die ftandvastigheid beleedigt 's lands tiran. Die held, ten einde raad, heeft door zyn hurelingen

Den eisch ter pynbank reeds op 't kunstigst toe doen flaan : Op morgen zal dit lyf de wreedfte folteringen,

Naar 't vonnis van den raad der boozen, ondergaan. Ziedaar den ftaat.myn zoon! waartoe ik my zag brengen!.

Ik zou betichting doen, daar ik geen misdaad weet! 6 Zoon! zal Ledenberg zyn' levensdraad veriengen,

Ten dienst der dwinglandy? of rekking van zyn leed? Wat uitzigt heb ik toch in een noch langer leven,

Géén, dan dat yslyk is, of fchandlyk buiten maat: Wie weet wat in myn pyn worde op 't papier gefchreven,

Door een' baatzuehtigen, en omgekochten raad ? De toeftand wel befchouwd , de zaak op 't best genomen,

Men teekent zuiver aan all' 't gene ik zegge in pyn, Zal dit my ooit of ooit de elenden deen ontkomen?

Zal myne oprechtheid my niet fchadelyker zyn ? Waar ééns een rechter zwoer te kerkren, of te Aagten,

Dat is , waar baatzucht praalt, die van geen vryfpraak weet, Wat is daar voor den man in kluisters ooit te wachten?

Niets, dan een dood vol fchande, of meerdering van leed. De baatzucht, die flavin van dwangzieke opperheeren,

Tot heerfcheres gemaakt op eenig' rechterftoel, Is als een blind gemeen, toevallig aan 't regeeren; 't Staat all' by haar aan drift, en niets aan 't recht ten doel.

Ze

Sluiten