Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

AAN JOOST VAN LEDENBERG. 33

Gevoelloos zag hy zich tot noch den tyd ontvlieden,

Waarna geen beter Haat en tyd voor hem verfchynt. Dan acht hy 't voor een pyn wanneer hy iets moet leeren,

Ziedaar zyn' eerden last! En wat is zyn vermaak? Wy zien hem van het één zich tot het ander keeren,

Hy leeft als in een' droom, mint alles, zonder fmaak. Maar eindlyk komt de tyd, gelyk men 't noemt, der reden;

Waar is dan zyn geluk? Hy ziet zich onderdaan Van fchepfels zyns gelyk; men noemt die Overheden;

Dees duid men hem met ernst ais aardfche goden aan. Te Pera zegt men hem, dat, wil hy zalig wezen,

Hy, voor zyn leven lang, den Koran volgen moet, Te Rome zegt men hem , wil hy Gods toorn' niet vreezen ,

Dat hy dan 's pausfen leer' befchouwe als 't hoogde goed. Te Wittenberg zal hy van Luthers volgers hooren,

Dat wie dien leeraar volgt alleenlyk zalig word; In Zwitferland , dat wie Calvyn niet heeft verkoren

Tot leidsman van zyn ziel, zyn eeuwig heil verkort. In Neerland, fints een prins het diendig heeft gevonden

Voor zyn belang en roem, dat hy Armyn verdrukt, Vertelt men dat Gods eere onzinnig word gefchonden,

Door alles wat niet blind voor Dordrechts delfel bukt, En, 't geen verbazendst is, altyd, in alle landen,

Te Pera, Rome, hier, in Duitsch-en Zwitferland, Heeft ieder geestlykheid de zaligheid in handen,

Voor 't minst heeft elk van haar de waarheid op haar hand.

C Zo

Sluiten