Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

c )

heid, medelydigheid, gedienstigheid , öt welk» temperamentsdeugd gy noemen moogt , uit de dogteren der luimen ■— niets van dit alles, hoe wenfchelyk ook, of beminnelyk, is, op zig zeiven, dat is, volstrektlyk goed; gelyk de göede wil. In tegendeel, leert de ervaring , dat de opgenoemde talenten, en deugden van temperament , gevoel , en luim, zeer kwaad en fchadelyk zyn kunnen , wanneer de wïL zelve, die van deze natuurgaven, en zinlyken aanleg, gebruik maakt, niet goed is. Groot kwaad is het werk van grote vermogens , en zagtheid van aard minst beftand voor verleiding. Met de geluksgoederen

is het eensgelyks gelegen. Magt, aanzien, rykdom , fchoonheid van gehalte , en wat men, wijders , onder het begrip van gelukzaligheid bevatten moge , kan groot kwaad aanrigten, zo niet een goede wil den invloed dezer dingen op het gemoed beftiere, volgends den eisch der practifche redewee. — Zelfs die eigenfchappen, die den goeden wil bevorderen, ontlenen , van dien wil alleen, alle hunne waar. de. Zelfsbeheerfching r by voorbeeld , matiging der driften en togten , koelbloedig overleg , zyn veelzins goed, ja fchynen tot de waarde van

een

Sluiten