Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

( 62 )

ftrekflyk gebiedt, boe gy bandelen moet. Ware dit begrip empirisch, dat is, uit de erva* ring , of ook uit uwe eigen ondervinding, ge» baald ; hoe zoude dan de zedelyke wet, op de* zelfde wyze , tot u , en tot alle redemagtige wezens , zonder uitzondering , met volftrekte , voorwerplyke, noodzakelykheid fpreken : daar immers uwe ervaring , en ondervinding , niet dezelfde zyn , met die van anderen ? Te regt, merkt kant, daarom , aan (*), dat men, aan de zedekunde, genen flegteren dienst kan doen , dan , wanneer men de zedelyke begrippen van pligt, en deugd , uit de ervaring afleidt , of dezelven van voorbeelden ontleent. Ieder voorbeeld , welk men my vóórhelt , moet zelve , eerst, volgends de beginzelen der zedelykheid, door my beoordeeld worden , of het waarlyk goed zy, en, als patroon , verdiene te worden voorgehangen. Zelfs de heilige van het Evangelie , moet, met ons idé van zedelyke volmaaktheid , vergeleken worden , eer wy hem, als ons voorbeeld, erkennen kunnen. J-Vat noemt gy my , (namelyk , dien gy ziet) goed ? Niemand is goed, (het grondbeeld van het practifche goed), dan

ds

(*) Grundleg. S. 29.

Sluiten