Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C >°4 )

De mensch is redelyk, en zinly k. In het eer ft e opzigt, moet heiligheid het doel van zyn hreven zyn, in het twede , is het gelukzaligheid. Dit laatfte begrip moet, volgends den eisch der zuivere practifche rede , aan het eerfte, dat is, gelukzaligheid, aan heiligheid — of wel aan deugd, —< die tog , by den mensch , in dit leven , de hoogfte trap van zedelykheid is >— ondergefchikt worden. Beide deze ideën van heiligheid , en gelukzaligheid , maken, voor den mensch , het hoogste goed uit. Naar dit goed moet hy , volgends de wet der rede, ftreven , doch, eerst, en vooral, naar heiligheid, als den enigen grond , om gelukzaligheid waardig , en voor dezelve regt gefchikt , te worden. Gr moet, zegt de wet, onbepaaldlyk , zonder naar enige voorwaarde van neiging, of zinlyk belang, te vragen, Gr moet, o redelyk mensch ! zo handelen , dat uwe maxime, ah algemene wet, door elk redelyk wezen, kunne gebillykt worden : gy moet, derhalve , altyd, uw woord houden, de waarheid fpreken, regtvaardigheid oefenen — in één woord, de menschheid , zo in den perfoon van anderen , als van n zeiven, vereren. Moet ik, waarlyk, en is dit ene volftrekte wet myner rede zel«

ve,

Sluiten