Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

< 97 >

Zoo vaak de klok hem roept, met ijver gaat ter kerk: Volvrolijk huiswaards keert, na 't afgedaane werk; En, bij zig zelf voldaan, die uitgevoerde pligten De held're fakkels noemt, om and'ren voor te lichten? Hij, die, vol heilig vuur, zijn' evenmensch verdoerat, Die, naar een and're leer, zich ook een Christen noemt? Die, met een vroom gelaat, ontbloot van mededoogen, Den armen mensch befchouwt; en de onverfchillige oogen

Ten hemel flaat, zou deze een waare Christen zijn?....

Een hater van de kerk! een Christen in den fchijn!

Ik hoop niet, waardfte vriend, dat gij mij zult verdenken, Als wilde ik 's Christen's eer, door mijn gedichten, krenken: o Neen! mijn ziel vereert, bemint den menfchenvrind, Die al zijn waar geluk, in 's Heiland's grootheid, vindt! ' Die, wars van bijgeloof, het glansrijk licht der waarheid Niet opzoekt, in een' nagt van aakelige naarheid!

G

Sluiten