Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ELEGIE.

Ol peinzende eenzaamheid, die ik voorheen zoo mindeï

Ach! waarom kwelt gij nu mijn' moedeloozen geest? De naare ledigheid, die 'k in uw flilte vinde,

Herinnen mij aan all' wat eertijds is geweest.' Uw zwart, uw doodlijk ruim is opgevuld met beelden

Van vrinden , mij, helaas! van 't lievend hart gefcheurd ; Vin dagen, waar in hoop en zoet genot mij ftreelden,

Mnar welker korte duur mijn ftille traan betreurt. Verganglijkheid doen rouw en haar droefgeestig klagen

In uw zoo doods gebied weergalmen voor mijn oor; Ik luister naar dien toon, ik wil... maar dien verdragen

Noch daar bij Ieercn, kan mijn kwijnend harte niet. Helaas! waar zijn zij heen die zorgelooze dagen,

Toen we in uw rustig huis, onfehatbaar Ouderpaar!

Met kinderlijke vreugd de dagen rollen zagen,

En, werkend, fpeeldeu aan uw zijde met elkaér?

Aaa

Sluiten