Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TREURIGE VERANDERING. 17

In het rijk van plant en dieren

Vloeit voor mij die bron niet me^r; 'k Smacht van dorst, en vind geen dropjen

\ an dit rein genoegen meer: Al 't vermogen om te deelen

In der fchepfelen geluk, Is in mij als uitgeftorven ;

'k Voel geen zagte banden meer. Onopmerkzaam treed ik 't bloemden,

Hoe het genre en gloeije, plat; Vogels, alles zingt rondom mij, Ik alleen zing niet, en kwijn. Weggezonken in gedachten ,

Pluk ik dikwijls blaadjens kort; Onbedachtzaam (laat mijn Itokjen,

Plantjens van hun wortels af; 'k Zie daarna, met fpijt, de brokken

Der vernielde fchoonheid aan; 'k Schaam mij even, 'k zucht en zink weer

In mijn diepe ftille fmart. Liefde, gij die 't hart vertedert,

Maakt gij 't tevens' koel en norsch? Liefde! — ja zijt ge ongelukkig, Dan is uwe kwelling wreed.

Sluiten