Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IÖ2 DE LEEUW EN DE EZEL OP DE JAGT.

De Leeuw bedekt in 't hout de afzienelyke vacht Des Ezels onder 't groen, daar hy niet was te aanfchouwen, En gaf het beest toen last om goede wacht te houên; Belastend' hem met kracht te bulken, om dus 't vee Dat in de holen lag te dryven uit zyn fteê. Die bende was noch niet gewoon aan 't Ezelblaêren;

Dus moest die klank het vee vervaren, 't Geluid klonk door al 't woud; en op dat naar gerucht,

Wierd ieder dier op 't hoogst beducht: 't Liep alles door het woud, en viel den Leeuw in handen, Die niet verzuimde om all' wat voorkwam aan te randen.

„ Heb ik, " dus fprak onze Ezel toen, (Belust zich de eer des vangsts verwaandlyk toe te fchry ven,) „ U niet zo wel gediend als iemant ooit kan doen,

„Door al dit vee u toe te dryven?"

„ö Ja! was 't antwoord van den Leeuw;

„ Gy maakt een fchrikkelyk gefchreeuw: „Wanneer ik't naar gcbulk van u, en van uw lieden,

„Wanneer ik u voor die gy zyt, „Niet kende, zelf zou ik, vervoerd door fchrikcnfpyt, „Waarachtig, als al 'tvee, 't gewaand gevaar ontvlieden?"

Zo

Sluiten