Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

14° DE WOLF EN DE OJEVAAR.

DE WOLF EN DE OJEVAAR.

Daar zyn geen Wolven die geen gulzigheid beminnen, Eén hnnner,zegt raen,floeg zó fchrokkig'tvleeschnaar binnen, Dat hem van eenig been een deel Bleef zitten in de naauwe keel, Dit voorval had byna het beest beroofd van 't leven; 't Was hem niet doenelyk het minst geluid te geven: Gelukkig kwam in dat gevaar Tot hem een vrindlyke Ojevaar. De Wolf geeft hem een' wenk om fpoedig toe te treden; De langbeen inderdaad verdubbelde zyn fchreden, En rukt, als arts, na kort befluit, Met zynen langen bek het been ten gorgel uit. Terftond na deze dienstbetooning, Eischt hy van onzen Wolf belooning. „Belooning! zegt het beest, 't Is fpot'? Is'twaarlykveel, „ Dat gy met uwen bek ontkomt uit myne keel! „Uw ondergang was daar, zo ik dien had befloten. „Ondankbre! ga! en wacht u altyd voor myn pooten."

Sluiten