Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

492 GESCHIEDENIS

PlIItLPS

de H. van Spanje,

fteit zulks tegenwoordig noodloos hieldt, kunnende alles te Keulen wel afgedaan worden. Het gefchil over de Plakaaten tegen de Ketters moest hij vermijden; doch, kon zulks niet gefchieden, dan mogt hij in dezelven zo veel verzagtings gedoogen, als de Koning hem , mondeling , veroorlofd hadt. Voorts moest hij, op geenerlei wijze, bewilligen tot het verblijf van Oranje in de Nederlanden, noch hem iets belooven, om hem te doen vertrekken. Doch, begeerde hij iets, als eene gunst, zo mogt men hem doen hoopen, dat zijn oudfte Zoon gefield zou worden in 't bezit der Goederen , door hem in de Nederlanden te ontruimen : want de Bourgondifche Goederen zouden hier onder niet begreepen zijn , of men moest, door derzelver overgave, den Prins tot vertrekken kunnen beweegen. Ook zouden de Ampten, door den Koning den Prins opgedraagen , op zijnen Zoon overgaan; doch niet het Admiraalfchap, noch 't geen de Algemeene Staaten hem meer mogten opgedraagen hebben. Indien Oranje zich hier door nog niet liet beweegen , om te vertrekken, mogt men hem zekere fomme gelds, tot honderdduizend Kroonen toe, onder de vereischte verzekering, aanbieden (*).

Het blijkt niet, wat vermaarde Gefchiedfchrijvers des ook te boek geüaagen hebben , dat men hem nog fchitterender beloften voor oogen gehouden heeft, 'om hem tot vertrekken te beweegen. Hij ontkent

CO Strada , Dec. II. Lib. II. p. 86".

Sluiten