Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5<54

GESCHIEDENIS

Willem de I.

Holland en Zeeland

doen den

Eed aau

Anjou,

onder

beding

van onge-

houdenis.

Utrecht

blijft

weigerag-

tig-

De Staaten des Lands van Utrecht waren wel eenigzins verder dan eenige Zceuwfche Steden gekomen; doch j oen het de zaak goldt , deinsden zij, bij het ontftaan van zwaarigheden, te rugge (*).

Te midden van alle deeze onderhandelingen, verfcheen de Hertog van Anjou in de Nederlanden: en het aangeweezene ontdekt ons ten vollen , waarom de drie gemelde Landfchappen hem geen hulde deeden, maar, beleefdheidshalve, alleen gingen begroeten, en, voorts, ter Staatsvergaderinge niets anders deeden dan hooren en zien. Dit hieldt hun last in, dien zij flipt in agt namen (f). Vervolgens verklaarde Anjou, m dat hij de Staaten van Holland, , „ Zeeland en Utrecht, zo hunne Gemagtigden, ne,, vens de anderen, hem zweeren wilden, niet zou ; „ verpligten , dan tot eendragt in het voeren des j, Krijgs , in 't opbrengen van hun aandeel tot de „ kosten van denzelven, in 't ftuk der Munte , en „ in 't onderling handhaaven der Regten, Vrijheden „ en Gewoonten der Landfchappen (§)." Op aandrang van Oranje , beflooten Holland en Zeeland tot het doen van dien Eed. Doch die van Utrecht begeerden geen Eed van manfchap afteleggen (**).

Eer

(*) Bor , XV. B. bl. 197. 200. XVIII. B. bl. 23. (t; Refol.. Holl. 1582. bl. 87. (§) Bor , XVII. B. bl. 9. Groot Plakaatb. I. D. bl- 79-

C*) Refol. Holl. 1582. b!. 234. Hoofdt , II. D,, hl tio.

Sluiten