Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

578 GESCHIEDENIS

Vergadering van zestien of zeventien deezer Edellieden , hefte Fervaques, met eene ftoute welfpree^ kendheid , dit vermeefterend Vertoog', aan: „ Welk „ eene vernedering voor den vermoedelijken Erfge-

naam van 't grootfte Koningrijk in Europa , on„ derworpen te zijn aan de grilligheden van een wij3, felend en weêrfpannig Volk , 't welk hij de wet ,, moest voorfchrijven. Hij kan niets onderneemen,

zonder de Algemeene en Bijzondere Staaten te 33 raadpleegen: een Burgemeefter van de kleinfle Stad s, is in ftaat zijne maatregels te dwarsboomen. De

Tijtels , welken hij voert , zijn grootsch en klin„ kende; doch Oranje bezit met de daad de magt; 3, elk ziet hem na de oogen; elk treedt in zijne maat„ regelen; hij is 's Volks Afgod. Hij heeft,behen,3 dig, de minst aan den Krijg blootliggende Land„ fchappen voor zich behouden. Hij bezit met de „ Staaten alle Eer en alle Goederen. Zij beloonen

,, onze

den fchijn van bedaardheid te vertoonen. Dikwijls hadden zij, in 's Hertogs tegenwoordigheid , de hoogloopendfte gefehillen. De Prins van Oranje kon zich, op zekeren tijd , niet wederhouden van te verklaaren , dat hij die tehandelijke bedrijven met verontwaardiging zag: 'er bijvoegende, dat Carel de V. ze niet onge.lraft zou gelasten hebben. „ Hoe durft gij," voerde één dier Heeren hem te gemoete, „ Carel den V. noemen ? Indien dee,, ze Keizer leefde, hij zon u, voorlang, het hoofd voor „ de voeten hebben doen leggen." Oranje ver¬

trok , zonder meer te fpreeken. Busceq. Ej>, II,

Willem

de I.

Sluiten