Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der. Nederlanden. 301

Ten achtften. Wanneer één der Gewesten zich beklaagt, dat het aandeel, 't welk hetzelve in de Genetaliteit opbrengt, te zwaar valt, ismen 't nog niet ééns, of het zich naar de uitfpraak der andere Gewesten moet gedraagen (*).

Ten negenden. Zo veele ftrijdige begrippen en tegenovergeftelde inzigten zijn dikwijls oorzaak van gefchillen tusfehen de Feréénigde Gewesten. De IX, XVI. en XXI. Artykels der Unie van Utrecht magtigen, hij provifie , de toenmaalige Stadhouders tot het beflisfen der gefchillen, welken ouder de Leden mogten rijzen. Daar zijn 'er , die , uit kragte deezer fchikking, beweeren , dat de aart en de beginzels der Verééniginge dit voorregt natuurlijk uitftrekken tot de Stadhouders in vervolg van tijd: naardemaal, zonder zulks, het Bondgenootfchap het erkend beginzel zijner vastigheid zou verliezen. En de uitdrukking hij provifie hun , naar allen fchijn, dit regt toekennende, tot dat men eenig ander middel gevonden hadt, om de gefchillen te beflisfen, zo volgt, dat, dit middel nooit gevonden zijnde , de provilioneele vastftelling der Unie van Utrecht eene blijvende gefteltenis van den Staat geworden is. Men voegt 'er bij, dat de noodzaaklijkheid, om deéénigheid te bewaaren onder zo veele Gewesten en Steden, die alle bijzondere belangen hebben, of kunnen hebben, flrijdig met het algemeen belang , een mid-

del-

(») P. Paulus Ferkl. der Unie , II. D. bl. 158. Aan* werk, bl. 66. 229 euz.

Maurits.

Sluiten