Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

i6

GESCHIEDENIS

Maurits.

Reden daar tegen.

„ een afftand, tot welken bij genooddwangd was., zo duur aanterekenen. De Vrijheid , reeds er,, kend , floot het bezit, van 't geen de Gewesten 5, hadden , in, en dus ook den vrijen Handel. Twij„ felde de Vijand hier aan , hij mogt het andermaal met de wapenen bezoeken. Welk zou de beloo„ ning weezen eens arbeids en krijgs van veertig ,, jaaren, indien wij den hals kromden onder een „ nieuw juk, wanneer wij, laag en lafhartig , ons „ lieten bannen uit de rijkfte Landfchappen , door ,, den Vijand, daar men zulks van zijnen wettigen „ Vorst niet zou hebben willen lijden (*) ? "

Kragtig en klemmend waren deeze redenen. Men vondt'er, nogthans, die aanmerkten, dat de grootde voordeelen, door de Oost - Indifche Maatfchappij verkreegen, kwamen van de Prijzen , op de Portitgeezen veroverd; dat de Handel voor eenige bijzondere Perfoonen en de aan Zee gelegene Landfchappen van belang was; dat de Vrede het geheele Lichaam des Bondgenootfchaps betrof, en deeze , uit hoofde van zulk een bijzonderen Handel , niet behoorde afgeflaagen te worden. Klein was het getal der Voorftanderen van dit gevoelen, en het werd niet dan (lap doorgedrongen. Prins Maurits en Oldenbarneveld waren het ééns omtrent dit gewigtig ftuk ; de eerfte in denkbeeld, dat het de Onderhandeling zou afbreeken ; de tweede in hoop , dat de Spanjaarden, uit vreeze van geheel de Indien kwijt te zu'.

len

(*) Meteren, XXIX. B. f. 529—535.

Sluiten