Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GESCHIEDENIS

Maurits,

Staatkunde van Hendrik den IV.

vermeend gezsg in deeze Gewesten , dat zijn Afgezant te Conflantinopole, omtrent deezen tijd , wel durfde veifpreiden , dat deeze Staat onderworpen was aan Groot - Brittanje (¥).

Koning Hendrik, de IV. hadt hier wijdftrekkender inzigten. ,, Ik wil," fchreef hij aan Jeannin, ,, dat de Staaten weeten en gelooven , dat ik hun, „ in gevalle het Beftand mislukte, door toedoen van s, de Spaanfche zijde , niet zal verlaaten ; doch ik ,, verftaa hun praaten niet, wanneer het doorgaat, „ over de voldoening van hunne Onaf hanglijkheid „ naa het Beftand: dit is nutloos, en zou aan mijne „ zaaken kunnen fchaaden. 't Algemeen belang, „ en bijzonder het belang mijner Kroone , vordert, „ dat zij lang en de Onafhanglijkheid en de vrugten

„ daar van bezitten." Hij voegt 'er bij, „ dat

„ de Staaten weeten, dat zij, de erkentenis hunner „ Onafhanglijkheid verwervende, dit niet enkel in „ naam is, maar om hunnen Staat te verzekeren, ,, en hes Staatsbeftuit voor altoos te vestigen en te ,, verlterken (f)." In deeze betuigingen is niets tegenftrijdigs, wanneer nun aanmerkt, dat de eerzugt des Franfchen Monarchs wilde , dat de Staaten hun Burgerlijk bewind op een vasten en welgevestigden voet bezaten , en hunne Oppermagt daadlijk erkend was , ten einde zij, in een hachlijk tijdltip, het

regt

(*) Negotiat. de Jeannin, Tom. III. p. 230.245.24S. 27T.29T.313 319 Tom. IV. p. 25.150. (i) Zie aldaar, Tom. IV. p. 14. 25,

Sluiten