Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der. NEDERLANDEN. #

Zij hadden den Koning; van Deenemarken grdoten onderiland gezonden: en mankten hunne hoofdzaak, om, ter Zee, den Spanjddrd afbreuk te doen , en de Duinkerkfche Kaapers , die den Koophandel flremden, te bedwingen (*). De zwaari^heden over het heffen der Geldmiddelen vermeerderden in verfcheidé Landfchappen (f). Eindelijk hadden de verbaazende vorderingen , welken de Keizer in Duitschland maakte, hen overgehaald, Om al hunre magt te fpaaren tot verdeediging des Lands , en onophoudelijk te arbeiden aan het vormen èeher algemeene Ver'bintenisfe tegen eene magt , die , in Duitschland volftrekt den meestér fpeelende , zich kon veréénigen met die der Spaanfche Nederlanden. Bovenal vreesden zij, dat de Keizer zou llaagen in het ontwerp, 't welk hij fcheen gemaakt te hebben , om de Kusten der Oostzee in zijn geweld te krijgen, en hier door de Zeevaart op die Landen te kluisteren. Van hier de verfcheide Gezantfchappen , na 't Noorden gezonden , de aanzoek bij de Hanze - Steden, bij Zweeden en Poolen, hunne bemiddeling aanbiedende , om den Oorlog tusfchen die Mogenheden te eindigen (§).

Een

(*) AitzeMa, I. bl, 449. 514.. 528. Mallet Hili.de Danem. 1627.

(f) Velius, Hoorn, bi. 525. Aitzema , I. bl. 588. 591. Capelle Gedenkf. I. b!. 395. 415.

(§) Aitzema, I, ül. 647-649. Puf; end. Itttrod, de FHift. de Snede.

VI. Deel. B

FüEDFtÜK ïlEr\DRlH*

Sluiten