Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DER. NEÖERLANDEN. 19

De gefchillen, tusfchen Engeland tndeFeréénigde Gewesten over den Koophandel, baarden hier veel zwaarigheids. De fpijt der Engelfchen , over het fluiten huns Afgezants buiten den Raad van Staate , en de hangende gefchillen , over het gebeurde op Amboina, hadden hen zozeer verbitterd, dat zij de Scheepvaart der Nederlanderen, bovenal 'mfeMiddenlandfche Zee , zeer gtoote nadeelen toebragten , dezelven beroovende, onder voorwendzel van zich ïchadeloos te (lellen. Zelfs namen zij drie rijkgelaadene Schepen der Nederlandfche Oost - Indifchë Maatfchappije, van Suratte komende, en te Ports' tnouth binnengeloopen, in beflag. Zij kwamen voor Texel, en voerden een Fransch Konings Schip, in't Marsdiep liggende , weg (*). Üè Staaten lieten „ door een Gezantfchap, de (lerkfte vertoogen doen, om vergoeding te bekomen voor den aangedaauen hoon : ook betoonden zij zich zo naijverig op het bewaaren hunner oniifhanglijkheid van Engeland, dat zij, wanneer Carel de I. Frederik Hendrik met de Ridder - Orde van den Kousfeband vereerde, uitdrukkelijk bedongen, dat dé Prins, bij 't aanneemen deezer Orde , door geenen bijzonderen Eed éich aan den Koning van Engeland zou mogen verbinden (f).

De Staaten trokken het gehoopte voordeel niet van

den

(*) AitzemA , I. bl; 431. 464. 640. 651. 655. 76S?. Refol. Holl. 1617. bl- aói. 264. 266. (t) Refol. Holl. 1627. bl. 149. 152.1554 B ft

Frfderi!? Hendrik.

Sluiten