Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

46

GESCHIEDENIS

Frederüc Hendrik.

]

i i

i

< t

zag, elk begreep het; doch de Adel, de frem gegeeven hebbende, volgde de andere Leden. DeSteden maakten wel zwaarigheden , maar gaven aan eenige heimlijke onderhandelingen toe, onder het feboonfehijnend voorwendzel , dat de Stadhouder fchielijk kon fier ven, en dat, in zulk een geval, de Ouderbevelhebber, die zijne plaats in het Gewest bekleedde, zich die Waardigheid , ten nadeele van

den jongen Prins, zou kunnen doenopdraagen .

De „Maat.n van Overijsfel, waar de Stadhouder desgelijks een Plaatsbekleder hadt, volgden, de zelfde reden bijbrengende, het zelfde voorbeeld. De Prins van Oranje hadt in de drie andere Gewesten , waar 3ver hij Stadhouder was, zo veele Vrienden, dat het daar in op den zelfden voet voortging; doch men merkte overal op, dat de Edelen hierin den meesten j'ver betoonden , en de Steden 'er niet , dan traagijk, toe kwamen. Het werk werd voltrokken, tot rroot genoegen van zijne Doorlugtigheid, die elk der lïemagtigden tot de opdragt met eene vereering bechook (*).

De Friezen deeden een dergelijken ftap, en gaven le opvolging in het Stadhouderfchap huns Gewests lan Graaf Hendrik, Zoon van ErnstCasimir van Vas/au; doch zij hadden daar toe eene geheel aniere drijfveer, naamlijk het beletten der verééniging 'an alle Stadhouderfchappen in het Buis van Oranje-

(*) Aitzema, 1. D, bl. j132 -1 r34. Hoofts Brieyen, I. ipó-1 pp. Capelle Gedenkf. I. D. bl. 597. 601.

Sluiten