Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

33» GESCHIEDENIS

Willem

de II.

Te Am-

jlerdam . Haariem en Lcyden.

ver tekent aan, dat te Hoorn het losbranden van \ Gefchnt met zo veel gewelds toeging, als of mende geheele Stad wilde vernielen; doch de verklaaringen der Steden waren allen onbepaald. —_ Die van Medenblik lieten de Bezending te Enkhuizen aanzeggen , dat zij, uit hoofde van de flegtheid der wegen en de kleinte der Stad , de moeite wel konden befpaaren, om derwaards te komen : te meer, daar zij voorgenomen hadden, dezelven niet inde Vroedfchap te ontvangen. Medenblik werd voorbij¬

gegaan , en Purmerende, Edam en Monnikendam bezogt; doch , wat de groote boodfchap betrof, met gelijken uitflag als de andere Steden (*).

Die van Amflerdam , de Bezending ziende naderen, vonden nogmaalgoed, zijne Hoogheid op reize te gemoette trekken, en hem te verzoeken, gelijk ze te Edam deeden, dat hij hunne Stad wilde voorbijgaan, alzo men genoodzaakt zou zijn, hem, in hoedanigheid van Afgevaardigden der Algemeene Staaten, gehoor te weigeren ; dat hij als Stadhouder, en in geene andere hoedanigheid , zou ontvangen worden; en dat men de Heeren, die met hem overkwamen , llegts als bijzondere Perfoonen zou aanmerken. Zijne Hoogheid gaf ten antwoord, voorneemens te zijn, om met de Heeren Gedeputeerden te komen in alle zijne kwaliteiten. De Wethouderfchap

O Aitzema, III. D. bl. 433. 433. Herflelde Leeuw, bl.20.ar. Capelle Gcdenkf. II. D. bl. 304«_3o8ó Holl. Merc. 1650. bl. 30.

Sluiten