Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bei. NEDERLANDEN. 445

wanneer men hun geen grooter Schepen , meerder Manfchaps en Krijgsvoorraads bezorgde. De ViceAdmiraal de Witte betuigde, met eene bruskheid, hem eigen, in de Vergadering der Staaten : Wat helpt, dat ik zwijg ? Ik ben hier voor mijne Opperheeren, ik mag en moet het zeggen , de Engelfchen zijn nu meester van ons, en, gevolglijk, van de Zee. De Staaten wendden alles aan, om de Schepen in gereedheid te krijgen : zij maakten verfcheide fchikkingen, om hen, die reeds het Land dienden, aantemoedigen , en anderen tot dien dienst overtehaalen: de Veroveraars van eenig vijandlijk Schip zouden niet alleen het veroverde Schip hebben en behouden, maar ook het ganfche gevolg en aankleeve van dien. Naar de grootte en het aanzien der vijandlijke Oorlogfchepen was 'er eene beloonicg vastgelteld: eene dergelijke uitgeloofd voor het afhaalen der Vlaggen. Alle Capiteinen en Scheepsbevelhebberen werd, op doodltraffe, verboden , zonder bevel of verlof van den Luitenant-Admiraal, methunne Schepen van de Vloot afteloopen. De zodanigen , die , in 's Lands dienst te water , verminkt werden, zouden een derde meer onderltandgelds genieten,dan bij de laatfle bepaaling op dit Huk was vastgelteld. Men arbeidde zo vol ijvers , om die Vloot te verflerken , dat ze , in Oogstmaand , met tachtig of negentig Zeilen, Zee koos , om den Vijand optezoeken , met befluit, om liever omtekomen, dan den hoon te dulden van eentrotschVolk, L 3 't welk

StaatsRecee-

ri.nc-.

Sluiten