Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6iS GESCHIEDENIS der NEDERLANDEN.

zijner Dogters, die in 't Fort wr.ren, wierpen zich aan zijné voeten neder, omhelsden zijne kniën, en fmeekten hem , onder een jammerend gegil, dat hij niet zou vertrekken. Hij rukte zich uit haare armen, zeggende: Mijne Vrouw, eeri gedeelte mijner Kinderen , ,, en veelen mijner Landgenooten zijn nog gevangen, „God verhoede het, dat ik hun leeven in gevaar brenge, om hctmijnetered.ien! Ik heb mijn woord „ gegeeven. Ik moet het houden. Ik zal het een ge„ luk agten', als ik ten flachtöffer mijner Broederen ge„ offerd worde! " Met dit zeggen vertrok deeze tweede Reguxus na 's VifÜnds Legerplaats. Het beleg volduurde nog eenigen tijd : en eene bvergave, op eerlijke voorwaarde, gefchiedde niet, dan naa dat alle hoop op ontzet van Batavia verdweenen was. Maar alle de Gevangenen, in 's Vijands hand gevallen, werden , ten getale van vijfhonderd, om 't leeven gebragt, dewijl Cüxing a ze vérdagt hieldt, van eene zamenzweering gefmeed te hebben. Onder dit ongelukkig getal bevondt zich ook de edelmoedige Predikant Hambroek, in 't éérst, naa zijne wederkomst uitliet Fort, gefpaard. De Chineczen gaven alle Hollandfche Vrouwen te rug : en , ichoon alle de jeugdigen zwanger waren, belette zulks niet, dat zij terftond weder Mannen b reegen; men merkte ze aan als Weduwen der gcfheuvelde Landgenooten, en hieldt het daar voor, dat het geen in den gevangen ftaat en met geweld aan haar gepleegd was, haar tot geen misdrijf kon gerekend worden (fi). (*) Basvace. p 669. Aitzema, V. D.bl. 196.

Einde des Zesden Deels*

3taat3-

Rêoee-

&ÜNG5

Sluiten