Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der NEDERLANDEN. 3P5

is aangetekend, dat de Predikant Hendrik Dibbets zekeren Wijnkooper, en door deezen nog tien of elf anderen, bewoogtn hadt, om bij eede te belooven, dat zij den Prins niet ter Stad zouden laaten uitgaan , voor dat hij voldoening van de Wethouder.fchap ontvangen hadt; en dat het deeze Lieden waren, die 's Prinfen Koets tegenhielden, en den Burgemeester Hallingk , zittende nevens zijne Hoogheid, met een gelaaden Snaphaan op de borst , afvraagden , of men den Prins voldoening gegeeven hadt? dat de Prins hierop zeide: Mannen, het zal wel gaan ; en verzogt, hem na de Herberg te laaten voortrijden. Dat, de Prins en de Heeren in de Herberg getreeden zijnde, de voorgemelde Lieden, en nog omtrent twintig anderen, aangezet door gemelden Predikant, een nieuwen eed deeden , dat zij niemand der Wethouderen uit de Herberg zouden laaten komen, zonder hem den hals te breeken, ten ware hij tot 's Prinfen bevordering geftemd en getekend hadt (*).

De Regeering , ontzet door dit dreigen, 't geen zeker meenen zou geworden zijn , befloot , eene Afte te vervaardigen, bij welke zij van het Eeuwig Edicl afftand deeden , den Prins voor haare Stad tor Stadhouder aanftelden, en tot alle de Waardigheden zijner Voorvaderen verhieven : telfens zijne Hoogheid ontilaande van den Eed , door hem gedaan, van het Stadho.ndertchap niet te zullen aauneemen.

Z.onv

(*) Wacinmr , Vadert. Hifi. XIV. bl, 73.

A 5

Wuxm* de HL'

Sluiten