Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der NEDERLANDEN. 407

„ doen zouden (*)." Geen ongegronde vrees; naardemaal het Land niet zo hoog bevloeid was als 't wel behoorde, en hier en daar doorwaad kon worden, terwijl' de Bevelhebbers over de zwakheid en onhouwbaarheid eeniger posten klaagden. De vrees groèVèle, aan, daar de moed der Franfchen, om iets ftouts te befban , bekend en ondervonden was:' doch, 't zij onkunde van den ftaat der posten en de géfieldheid des ongevloeiden Lands , 't zij de aankomst der Engelfche Gezanten, 't z;j, eindelijk, de tijding der Duitfche wervingen, hen bewoog, de :meeste magt na den Rhijnkant te fchikken , zij beftotiden het doorwaaden en het aanvallen der zwakke posten op dien tijd niet.

Kleermaalen ontwierp men plans , oin de posten te verfterken, doch het ontbrak aan Vulk en noodwendigheden. Da Graaf van Koningsmark , die op de post te Bcdegraaven her- bevel voerde, hadt zijne Hoogheid gevraagd, wat hij moest doen , in 'gevalle de Franfchen, over't ijs aantrekkende, dezelve -mogten aantasten, wanneter ze niet gebonden 'zou kunnen worden ? Leyden werd hem ter wijkplaatze, in dén uiteriïen nood, aangevveezen (f). Sn deezen kommerlijken toeftand fcheen Amfterdam alleen onwinbaar. Alle noodige fchikkingen hadt men gemaakt op het onderzetten der Landerijen,

I Schans.

. (*) Aant. van den Per.f, Kop , Van den 27. en aï. Juny 1672- Mf.

(f) Wagenaar, Faderl.Mift.XVS. bl. 22a.

,Virx£m de III.

Sluiten