Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der NEDERLANDEN. 107

ser zo veel deels in , dit de raadpleegingen over de werving ftü ftonden. De Raadpenfionaris Fagel, de Voorwaarden overéénkomstig niet zijne ftaatkundige begrippen wenfchende opteftellen , fchikte het in diervoege, dat de Afgevaardigden van Friesland en Groningen 'er bu'ueii bleeven. De Staaten dier Gewesten waren zeer gevoelig over den hoon, hun aangedaan: zij fchreeven aan de Algemeene Staaten , dat men in't (tuk van Vrede of Oorlog niet zondei hen kon (luiten , of men moest oordeelen , dat zij onderworpen waren aan de andere Gewesten : ook weigerden zij alsdan hun aandeel in de kas der Ge neraliteit optebrengen j 'twas, hun bedunkens, niei billijk, in de lasten te draagen van eene Unie , ei verflooken te zijn van derzelver Regten en Voordee len (*')• Men wil , dat zij onder de hand de be fcherming des Konings van Frankrijk zogten ; en op de verzekering hier van, met Amfterdam, fes gelijks misnoegd over de heimlijke wijze van hande len'in dit geval, hun Regt ten uiterften voorftor, den. De Prins van Nasfau, Stadhouder der beid Gewesten^, tradt in 't zelfde plan tegen het Hu, van Oranje.

Staande deeze handeling, beleid tot het voortze ten van den Oorlog, deedt de Spaanfc&e Gezant d Castll Monkajo zijn best, om de Staaten te b weegeu, dat zij den Oorlog aan Frankrijk zoud< vtrkiaaieu , of althaus meerder Krijgsvolk na <

Spaa

(♦) Holl. Merc. 16 3. bl. 107.116.

Willem de III.

1 1

e

't

e

n le

Sluiten