Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Over Gods Gestaan, &c. 317

«. Gods onuitputbaare Gelukzaligheid, en geduurzaame genoegzaamheid, is die volmaaktheid , «/aar door hy alleen erkent wordt als de Fontyn en oorfprong des leevens en alles goeds : maar door de zonden, flopt de Zondaar die Fontyn, —hy vind in elke zonde een zekere/maaè, een aas, dat hem tot geduurig proeven verlokt, welk aas verfchillend is, z\s,—voorfpoed, waar doorhy dikmaal» te hooger wordt verheven, op dat de val te gedugter zoude zyn; — rykdom, welke zich Vleugelen zal maaken gelyk een Arend, die na den Hemel vliegt; — Eer en . aanzien, een flauw vonkje, het geene door geluk ontflooken, en door de dood wordt uitgeblufcht, daar waare Eer geleegen is in dat geene, dat alle Menfchen met eikanderen gelyk maakt, den Monarch en den Slaaf, ik meen, in God tot eenen Vader, en Chriflus tot eenen broeder te hebben, — fommigen ftellen allerly Ztntuichelyk vermaak tot het voorwerp hunner begeerte en liefde, een vermaak helaas! dat niet uitgeleezen , geduurzaam, mannelyk en ernftig

is:

Sluiten