Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

STAAT EN OORLOG» I?8J. 330

waar van echter uit het geen hier vooren , nopens zyne algemeene verpligting , gezegd is , het tegendeel is afteneemen.

Doch dat de waare reden, waarom hy Commandant op de directie en orders der andere Admiraliteiten zoo weinig acht geflagen beeft, eigenflyk nergens anders was te zoeken, dan in het evengemelde by hem aangenomen en opentlyk erkend Syftema, te weeten, (z) dat hy de orders van de Admiraliteit te Amiterdam moest afwagten, om dat hy, als Vlag-Ofikier, by dat Collegie geplaatst was, en met het zelve de meefte communicatie onderhield ; daar tog hief geenszins de qualiteit van Vlag-Officier van een byzonder Collegie, maar alleen, die van Commandant der geheele Vloot, by hem V. A. in aanmerking komen en zyn gedrag regelen moesti kunnende men van zoodanig een Commandant niet anders verwagten, dan dat hy niet bepaaldelyk metéén der Admiraliteu's-Coilegien, maat met dezelven allen, als waartoe hy in de ge* zegde hoedaanigheid eene gelyke betrekking had, eene reguliere Correspondentie zou hebben on* derhouden.

Dat, wanneer men voortgaat met te onder* zoeken, wat de meergem. V» A, Hartfinck, in qualiteit van Commandant der Vloot, uit hoofde zyner verpligting (welke hier vooren uit de by hem ontvangen generaale orders, uit de omftandigheden van den Oorlog en uit de bevee» len van twee Admiraliteits-Collegien aan de commandeerende Officieren hunner Scheepen , beredeneerd is) met relatie tot de generaale voorziening der Victualie, werkelyk verricht hebbeJ het vervolgens confteert, dat hy V. A., fchoon wel van zyn departement geoordeeld hebbende («) den ftaat van de onder *yn commando geiïelde Scheepen opteneemen, echter niet verpligt

(2) Verboor V. A. Hartfinck Art. 4 «n f. (-O -dem No« 4« Art« 5»

y %

Sluiten