Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wov» STAAT EN OORLOG. 1786. 347

Mede-Staatsleden hebben moeten ondervinden , en waarmeede die van Utrecht door eenen aanmarsch van Troupen wierden bedreigd , eenigzints in haaren loop fchynt gefluit te zyn ; de Ondergeteekende nochtans voor het oog van Uw Edele Groot Mog. geenzints kunnen verbergen de angstvolle bekommering , waarin zy veffeeren ten opzichte van de beklagenswaardige Inwooneren der twee voorfchreven Steden Elburg en Hattem; nademsal dezen niet alleen genoodzaakt zyn geweest, om, of uit vreeze voor een aannaderend, of uit dadelyke ondervinding van een allerwillekeurigst geweld, hunne Woningen, Bezittingen en Goederen te verlaaten , maar ook daar en boven heb. ben moeten ondervinden, dat hunne nagelaten Woningen , Bezittingen en Goederen , door de roof- en plunderzieke Militairen, en zulks onder het oog en ten aanzien van hunne Chefs en Officieren , zyn weggenomen en geamoveerd, of anderzints, zo niet geheel en al , immers voor een zeer groot gedeelte zyn geplunderd en vernield geworden ; terwyl die ongelukkige Ingezetenen zeiven daar door zyn gedompeld geworden in eene diepe armoede ; te rampzaliger , naar maate dat het Winterfaifoen en de daar meede verzeld gaande nypende koude , en andere daar aan onverroydelyk verknochte ongemakken £waar door ook hun Vee , hec geen daar en boven van het nodige Voeder is verftoken, aan eenen byna zekeren dood wordt bloot gefield) zich meer en meer doen gevoelen; des , dat het met die onfchuldige flagtoffers van eene fchreeuwende dwingelandye gedaan zoude zyn geweest, by aldien niet de liefderyke voorzorge der uabuurige, zo Overysfelfche als Hollandfche Ingezetenen, daar in op eene medogende wyze hadden voorzien.

Dat,

Sluiten