Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

'Ï66 Hei Onderfcheidende Kenmerk van de

baar, dat het onbeftendig, en vlügt-ig ware! want een lang genot van vermaak zou ons,zoo' wel in den hemel, als op aarde, walgen. Maar dewijl het toekoomende leven zoo* heerlijk is, als ik gezegd heb; zou het zeer •bezwaarlijk zaligheid konnen worden genoemd, indien het niet eeuwig, enbeftendig, was.

Zoo groot, jaa oneindig grooter , is het goed, dat God heeft weggelegd voor den geenen, die hem vreezen , Psalm 31. vs. 20.

Jp*l u ^-^I^ffl- \'f-t^ -I

Wat is nu heil, wat is geluk, en wat is zaligheid? indien dit geen heil, geluk, en zaligheid, genoemd mag worden. • Want hoe kan 'er grooter heil worden be■greepen ? dan, bevrijd te zijn van het hoogfte kwaad, dat is te zeggeri, niet alleen, verlest te zijn van de zonde; maar ook, van alle verleiding, tot dezoijde; en tevens van alle, zoo fchaadelijke , als fchandelijke , gevolgen «ran de zonde; want de zonde, waar vanwe, in het toekoomende leven , 'bevrijd zullen worden, is de oorzaak van alle kwaad.

En hoe kan 'er grooter geluk, of zaligheid, woruen bedagt ? dan deel te hebben aan het hoogfte goed! dat is te zeggen, naar ziel, en lichaam, jaa naar den geheelen mensch, tot die volkoomenheid 'te zijn gebragt; waar voor onze natuur vatbaar is, en een eindig fchepfel gebragt kan worden.

-too n-„ zsrn&a. ; srbxbiss 3dd & tu'; j

.39 ;!J 'Het

Sluiten