Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 387 )

SAMENSPRAAK

tussen Jan van Maren een Stichtschen Landman , en zynen Schout.

Schout.

J£k wens u van harte geluk myn vriend , dat het hunne Edelmogende de Staten dezer Provintie behaagd heeft, eindelyk de vertogen door d'ingezetenen van dit Gerecht en 't naburig Heetveld in gunstig gehoor te ontfangen en zodanige maatregelen te nemen , waar door wy bewoonders van de bergkant kunnen bevryd raken , van d'overlast ons door het grof wild en de hier omftreeks vermeerderde legioenen konynen aangedaan wordende.

Jan.

Ik bedank u myn Heer de Schout en aile de inwoonders van ons Dorp inrongen byde eerfte tyding die zy 'er van kregen , van vreugde op ; te meer, daar zy zo veele requesten ingeleverd hadden , zonder getroost te worden j en zy dus begonden te wanhopen.

Schout.

I

Sluiten