Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OOSTINDIËN. 25*

vooral ten aanzien der vreemdelingen. Zij^maaken veel-werkvan de Chineezen om hunne fchoone zedenleer ; zij noemen hun rijk het Koningrijk der verlichting, rMoêdaimirih\ Sints de zendelingen bij hun reizen, hebben de Co. chinchineezen nog meerder achting voor de Euïopeaanen. De Koning bemind hen en zou hen gaarne in zijne havens wille trekken ten einde koophandel met hun te drijven; De Cochinchu mezen zijn zeer aan de vrouwen verllaafd; de veelwijverij is bij hun in gebruik: zij hebben gemeenlijk zoo veel vrouwen als zij voeden kunnen, en de wetten geeven hen over haar, gelijk ook over haare kinderen, een groot gezag. Zij die van ontrouw overtuigd zijn, worden veroordeeld om door de tanden der elephanten om te komen. De vrouwen bezitten weinig fchaamte» In tijden van fterke hitte zijn zij altoos tot aan de middel tóe naakt; zij maaken zelfs geene de minste zwaarigheid om zich in het gezicht der geheele waereld te baden. De Cochtnchineezeti gelijken wat de gedaante betreft veel naar de Chineezen, uitgezonderd dat zij een weinig taan» achtiger van koleur zijn; hunne vrouwen zijn fchoon en zeer blank, hunne kleeding is gelijk die welke voor den inval der Tartaaren in Ckinif in gebruik was. De geleerden hebben de Ja* ponneefche kleeding aangenomen; zij behouden hunne haïren, voor welken zij veel zorg draagen* R 5 fo

Sluiten