Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C )

Veel, doch geenzints alles weeten. —- Onze kennis wegens God zal eerst volmaakt zijn , als wij in den Hemel hem aanfchouwen zullen: want, nu, zegt de H- Paulus, zienwij als door een fpiegel , in een raadzel; maar dan, aanfchijn aan aanjchijn. — Wij weeten . fchrijft de H. johannes, dat als hij verfchijnen zal , wij hem zullen gelijk zijn: want wij zullen liem zien , gelijk hij

is. • • •

Wij kunnen dan God nog niet volkoomen: dat is, in alle zijne grootheid kennen; maar die niettegenftaande, is 't ons geoorloofd en mogelijk, in zoo verre God te kennen, dat wij hier uit gemakkelijk leeren kunnen: dat in God volkoomen te kennen en te bezitten, eeuwig zelfs ons grootst geluk, of de zaligheid beftaan zal: want het geene van God onzienelijk is, word nu zelfs, uit de Schepfelen verftaan en befchouwd. Ja, hier door kunnen wij voor eerst, God kennen als een noodzaaklek wezen. Ja , zegt gij, maar mij dunkt, dat ik hier door van God, nog minder weet dan te vooren: want, wat een noodzaakelijk wezen te zeggen is, verftaa ik niet! —■ *t kan zijn, dat gij die woorden zoo aanftonds niet verftaat; maar wat zoudt Gij zeggeu, als u iemand zeide: 't is nog zoo zeker niet, dat 'er voor weinig jaaren al menfchen zijn geweest, die timmeren konden ? dat hij mij voor gek hieldt, of zelve gek was! — waarom? wel dit huis, daar ik in woon, en zoo ouderwetsch getimmerd is, is al meer dan honderd jaaren oud. Wat volgt daar uit? dat 'er toen al menfchen zijn geweest

die timmeren konden. Is het dan noodzaa-

kelijk, dat 'er toen al zulke menfchen geweest

zijn? dat fpreekt van zelve! let op dan:

iedere zaak noemt men, in zijnzoort, ten wezen

Sluiten