Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

44° Jesus belijdenis

XXIX. antwoorden ? De landvoogd,geen ken i

5en«." nis hebbende, aan de grootheid van den ge: vangenen, aan zijn recht om zo een vraag t B doen, noch aan de liefderijke bedoeling waai i mede zijne vraag beantwoord was, fchijnt dip euvel te hebben opgenomen, en barste daaijjt om in drift uit, met gramftoorig te vraagejL ben ik een Jood? Blijkbaar is hier eene verre \ gaande verachting te ontdekken; uw volk e, de Overpriesters hebben u aan mij overgeleverd ' zo gaat hij voort en vraagt: wat hebt gij ge*

daan? Pilatus was geraakt, dat hij zo'"

fcheen met de Jooden gelijk werdgedeld, bi:" zulk een verachtlijk volk wilde een edele Ral mein zich niet laaten vergelijken , de twist vraagen omtrent hunnen Godsdienst waren hem" veel te beuzelend, om daar aan zijne aandacht1' te leenen. Hij bijt daarom met bitfe taal den I gevangenen toe, dat zijn volk zelve Hem had-: L den overgeleverd, en wel de Overpriesters,E de hoofden van den Godsdienst , daarin L lag eene heimelijke befchuldiging opgeflotenj l dat Hij bij zijn eigen volk zeer gehaat wasA wijl deze anders alle poogingen aanwendden *L om eenen Jood uit de handen der Romeinen to l redden, daar moest het aanftonds , wil de4 landvoogd zeggen, een kwaad vermoeden op^ „„ leveren, dat Hij door zijn eigen volk en der-' \{]

zei-

Sluiten