Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 74 )

ópgerocpei hebbende, zegt hij: — „ Leendert! — hoe toch waart gij fteeds zoo onbefchaamd om mij, uw Meester,die hetzoo goed met u meent , zoo goddeloos te bedriegen ? Weet gij niet , hoe zeer gij mij al kunt bedriegen , dat 'er evenwel een God in den Hemel woont, die alles weet, en die alles ziet wat gij bedrijft? Hebt gij, toen uwe Ouderen u hier op School bedelden, mij niet bij handtasting beloofd , dat gij nooit, willens en weetens, eene van al die werten zoudet overtreden, welke daar voor uwe oogen hangen, die ik u toen voorlas, en welker nut en noodzaakli kheid ik u duidelijk verklaard heb? — Is dat nu woord houden?— Is uw gedrag heftaanbaar met die achting, welke gij mij, als uw Leermeester,verfchuldigd zijt; volgends het tweede artikel van onze fchool wetten ? Is dat mij, in allen cpzigte gehoorzaam zijn, wanneer men mij, gelijk gij gedaan hebt, bij herhaaling voorliegt? — Foei, welk een ondeugend beftaan ! — Zulk een ondeugende Jonge, gelijk gij zijt, verdient niet, dat hij langer bij mijne andere braave Leerlingen zitte; het verflrekt hen tot cneer, naast een knaap te zitten, die zulke flegte daaden uitvoert , en daarbij zo onbefchaamd kan liegen. Och! het fmert mij, dat ik mijne School onteerd zie. Ik moet, wil ik als een braaf en eerlijk man, regtvaardig handelen, u afzonderen van alle «wé braave medeleerlingen. Zie daar leendert, — (de Meester brengt hem bij den arm naar de bank der flegten) deeze verachtelijke bank, deeze bank der flegten, is uwe regte plaats ; het doet mij leed ! — maar ■— daar behoort gij. — Zet u daar neder; gevoel

Sluiten