Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 180 )

haam ook meer of minder kwijnen, en zijs

denkvermogen verzwakken.

Men brenge dit over op de burgerlijke Maatfchappijen , en men zal bevinden, dat de vermeerdering van kundigheden, onder den geringen burger , de welvaart van den ftaat, en de daadelijke beoefening van christelijke deugden zal bevorderen; en hoe algemeener de welvaart is, —• en hoe godsdienftiger ieder* lid , overëcnkomftig zijne overtuiging, leeft, hoe nuttiger ieder burger in zijnen kring, waarin hij geplaatst is, voor de onderlinge famenleving zijn zal.

Daar nu het menfchelijk lighaam op den duur niet beftand is tegen gebrek en ziekte, even min kan men eenen burger-ftaat vooronderflellen, wiens leden allen, zonder onderfcheid, de veneischte kundigheden bezitten,

en eene duurzaame welvaart genieten.

Het is dan de plicht van des kundigen , door zijne medewerking en onderrichting, of van Zulten , welke in ruime omftandigheden zijn , door hunne onder/leuning, waar de uitvoering door daadelijke geldmiddelen tot ftand gebragt moet worden , onzen ongeoefenden , en daardoor gebrek lijdenden medeburger, kundiger te maaken; op dat hij voor zich zeiven gelukkiger, en voor de famenleving nuttiger worde. — Hoe meerder vlijt wij aanwenden, om de kundigheden onder den geringen burger uittebreiden, hoe algemeener de welvaart van den Staat, en hoe meer hec genoegen van ons leven zal bevorderd worden. Maar zo lang het laage Gemeen in onkunde blijft, en uit dien hoofde doorgaans gebrek aan de

nood-

Sluiten