Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 59 )

s. Neeti,uw zoon moet geen Schoenmaaker worden, hij is er te fterk van Ligchaam en te groot van ziel toe; en ik durf wedden, dat als gij hem voordraagt wat het beftendig, en jaar uit jaar in, eentoonig werk van een Schoenmaaker is, en te gelijk, hoe veranderlijk het werkzaame handwerk van een limmerman is; dat een Jongen , die bij het timmeren komt, ijverig moet zijn, om dit goed te leeren, dat hij, vervolgens, als hij het al vrij wel geleerd heeft, veel moet denken en praktifeeren, om anderen in de kunst voorbij te ftreeven, ik durf wedden, dat hij dan het timmeren kiest. Maar, daar uw zoon maar bij èèn ambacht kan gedaan worden , welk een ambacht denkt gij dan dat het allerbeste voor hem,naar zijne geaartheid en genie zou zijn.

h. Dat weet ik zo bepaald niet; ik verlang dat van u te hooren.

s. Dit had ik van u niet verwagt, weetgij dat niet ? gij kunt dit zo zeker weeten als tweemaal twee vier is, en het befluit met gerustheid opmaaken, dat hij het timmeren moet leeren. Gij hebt mij immers verhaald, dat hij, als hij maar een mes kon bekomen en wat hout, dat hij dan huisjens maakte, dat hij ook al van kaarten een huis bouwen wilde: wel nu dit is een zeker bewijs, dat dit naar zijne geaartheid is, en zijne genie volmaakt is om hem tot een Timmerman op te leiden. Ik'dacht dat gij dit uit zijne bedrijven zelve zoudt befloten hebben.

h. Och, wat ben ik dom! dit is ook waar! en ik herinner mij dat ik ook nooit heb kunnen merken, dat hij veel zin aan mijn ambacht

Sluiten